Edwin Kroon AA/RB

  • Accountant en Register Belastingadviseur
SRA gecertificeerd

"Voor zeer persoonlijke dienstverlening aan zelfstandige ondernemers, vrije beroepsbeoefenaren, verenigingen, stichtingen en particulieren."

SRA Nieuwsbrief 3e kwartaal 2013 - Deel 2

1. Help, mijn bedrijfspand is minder waard

De crisis in de vastgoedsector is niet voorbijgegaan aan bedrijfspanden. Grote kans dat de waarde van uw pand al is gedaald of dat u straks geconfronteerd wordt met een waardedaling van uw onroerend goed, of dat nu in eigen gebruik is of verhuurd. Het kan verstandig zijn om eens te kijken hoe uw bedrijfspand op de balans staat. Met een juiste waardering in de boeken kunt u (tijdelijk) belastinggeld besparen.

Waardering bedrijfspand
Doorgaans worden bedrijfspanden gewaardeerd op de historische kostprijs (aanschafprijs) verminderd met de jaarlijkse afschrijvingen. Daarbij moet u rekening houden met een economische gebruiksduur van het pand en een restwaarde.

Sinds 2007 gelden er bovendien strengere afschrijvingsregels, die de afschrijving op uw bedrijfspand aanzienlijk beperken.

U mag namelijk nog maar afschrijven tot aan de bodemwaarde van het bedrijfspand. Voor een pand in eigen gebruik geldt een bodemwaarde van 50% van de WOZ-waarde. Bij een beleggingspand (een aan een derde verhuurd pand) is de bodemwaarde zelfs gelijk aan de WOZ-waarde, waardoor afschrijving in deze tijd niet of nauwelijks nog mogelijk is.

Tip: 
Wanneer u een gebouw verhuurt (ter beschikking stelt aan een derde), geldt de bodemwaarde van 100% van de WOZ-waarde alleen als het pand voor ten minste 70% wordt verhuurd.

Waardedaling
Is de waarde van uw bedrijfspand door de huidige crisis op de vastgoedmarkt sterk gedaald, dan kunt u overwegen om het pand af te waarderen tot op de lagere bedrijfswaarde. Hierdoor kunt u in het jaar van afwaardering eenmalig fiscaal een verlies nemen, waardoor u in dat jaar minder belasting betaalt.

Bij afwaardering van een bedrijfspand op de lagere bedrijfswaarde gelden overigens wel diverse regels. Zo moet bij het bepalen van de bedrijfswaarde van een pand in eigen gebruik worden uitgegaan van de going-concernwaarde: dit is de waarde die een koper bij een mogelijke verkoop van de onderneming aan het pand zou toekennen als hij de onderneming in zijn geheel zou voortzetten. Bij beleggingspanden en voorraadpanden gelden weer andere regels voor waardering op de lagere bedrijfswaarde.

Het is aan te raden om bij afwaardering op de lagere bedrijfswaarde dit te onderbouwen met een taxatie. Bovendien moet u er rekening mee houden dat u in ieder geval tijdelijk niet meer kunt afschrijven op het bedrijfspand. Het fiscale resultaat van uw bedrijf zal hierdoor de komende jaren weer toenemen.

Stijgt het pand weer in waarde, dan moet de afwaardering worden teruggenomen. U moet dan weer opwaarderen tot de boekwaarde die zou zijn bereikt zonder dat gebruik is gemaakt van de eerdere afwaardering op de lagere bedrijfswaarde. Ook deze stijging vormt extra fiscale winst.

Let op!
Of afwaardering op de lagere bedrijfswaarde voor u een aantrekkelijke optie is, is afhankelijk van de situatie en de extra kosten (zoals taxatiekosten) die hiermee gemoeid zijn. Laat u daarom goed voorlichten door uw SRA-adviseur.

Terug naar boven | Terug naar Nieuws

2.  Bij bedrijfsemigratie wilt u afrekenen of vraagt u om betalinguitstel?

Wanneer u besluit om uw bedrijf te verplaatsen naar het buitenland, dan moet u in principe direct afrekenen met de Belastingdienst. U mag echter ook vragen om betalingsuitstel of u kunt kiezen voor een betaling in tien jaarlijkse termijnen. Aan alle drie de opties kleven voor- en nadelen.

Direct afrekenen
Bij bedrijfsemigratie bent u belasting verschuldigd over de eindafrekeningswinst van uw bedrijf, de exitheffing. U moet onder andere afrekenen over de in uw bedrijf aanwezige stille reserves, oftewel afrekenen over het verschil tussen de waarde waarop vermogensbestanddelen op uw bedrijfsbalans staan en de waarde in het economisch verkeer van die vermogensbestanddelen. Na opgave ontvangt u hiervoor van de Belastingdienst een belastingaanslag die u vervolgens moet betalen.

Het voordeel van direct afrekenen is dat uw bedrijf met een schone lei in het buitenland start, zonder fiscale nasleep in Nederland. Het nadeel is dat de exitheffing een behoorlijke aanslag kan zijn op de liquiditeiten en uw bedrijf hiervoor misschien zelfs moet lenen.

Op uw verzoek kan de Belastingdienst daarom bij bedrijfsemigratie ook betalingsuitstel verlenen. 

Uitstel van betaling
Uitstel van betaling kan alleen als er zekerheid wordt gesteld voor de nog openstaande belasting-schuld. Die zekerheid kunt u bijvoorbeeld geven in de vorm van een bankgarantie of een recht van hypotheek. Betalingsuitstel wordt ook alleen verleend als het bedrijf voldoet aan allerlei administra-tieve verplichtingen. Zo zult u jaarlijks een fiscale balans en winst-en-verliesrekening van het bedrijf moeten opstellen volgens de Nederlandse fiscale regels. Hieruit moet blijken of er sprake is van stille reserves en tot welk bedrag die eventueel oplopen. 

Let op!
Gebruikmaken van betalingsuitstel betekent in eerste instantie een liquiditeitsvoordeel nu u niet direct bij bedrijfsemigratie hoeft af te rekenen met de Belastingdienst. Per saldo bent u echter duurder uit, want u bent invorderingsrente verschuldigd, gerekend vanaf het moment dat uitstel van betaling wordt verleend. Bovendien zijn de administratieve verplichtingen zwaar en houdt u hierdoor nog jarenlang contact met de Belastingdienst.

Er is geen sprake van oneindig uitstel. Zo eindigt het betalingsuitstel in ieder geval bij realisatie van een stille reserve (bij vervreemding of bijvoorbeeld als gevolg van afschrijvingen). Ook als u nu niet meer voldoende zekerheid stelt of uw administratieve verplichtingen niet nakomt, moet u de belastingaanslag betalen.

Betalen in tien termijnen
Naast direct afrekenen en uitstel van betaling is er nog een derde optie bij bedrijfsemigratie. U kunt ervoor kiezen om de belastingaanslag te betalen in tien gelijke jaarlijkse termijnen. Het voordeel is dat u bij gespreide betaling minder administratieve verplichtingen voor uw kiezen krijgt. Het nadeel is dat u, net als bij betalingsuitstel, gewoon invorderingsrente verschuldigd bent.

Terug naar boven | Terug naar Nieuws

3.  De afdrachtmindering onderwijs wordt een subsidieregeling

Heeft u werknemers die een opleiding volgen, dan kunt u als werkgever mogelijk gebruikmaken van de afdrachtvermindering onderwijs. Dat is een fiscale regeling waardoor u minder loonbelasting / premie volksverzekeringen hoeft af te dragen. De afdrachtvermindering geldt ook voor leerlingen en stagiairs. Deze fiscale faciliteit zal naar verwachting per 1 januari 2014 verdwijnen. Hiervoor in de plaats komt de subsidieregeling praktijkleren.

Afdrachtvermindering onderwijs
De huidige regeling ziet er in het kort als volgt uit. De afdrachtvermindering onderwijs is gebonden aan een aantal voorwaarden waarbij u als werkgever moet voldoen aan een aantal administratieve verplichtingen. Bovendien stelt de Belastingdienst eisen aan de opleiding van de werknemer. Zo moet er bijvoorbeeld voor sommige opleidingen een leer-werkovereenkomst opgesteld zijn, waarin de werknemer, de onderwijsinstelling en u afspraken maken over de duur van de opleiding en de begeleiding van de werknemer.

Verder is het van belang dat het loon van de werknemer in een aantal situaties niet hoger mag zijn dan een bepaald grensbedrag, het toetsloon afdrachtvermindering onderwijs. Er zijn acht categorieën van werknemers waarvoor u de afdrachtvermindering mag toepassen. Enkele voorbeelden hiervan zijn medewerkers die een beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg volgen, leerlingen die een leer-werktraject volgen in het vmbo of werknemers die in een EVC-procedure (Erkenning Verworven Competenties) zitten.

Subsidieregeling praktijkleren
Het kabinet vindt dat de afdrachtvermindering onderwijs onbeheersbaar is geworden. De kosten zijn de afgelopen vijf jaar verdubbeld, onder andere door oneigenlijk gebruik. Om bedrijven toch financieel te stimuleren leer-werkplaatsen aan te bieden, gaat per 1 januari 2014 een nieuwe regeling gelden, de subsidieregeling praktijkleren. Het is een afgeslankte vorm van de huidige afdrachtvermindering. Hoewel er budget voor leer-werkplekken beschikbaar blijft, worden de regels stukken strenger waardoor u voor minder groepen studerende werknemers in aanmerking komt voor subsidie.

Doelgroepen
De subsidie is bedoeld voor vier doelgroepen, waaronder mensen in het mbo die een opleiding volgen in de Beroepsbegeleidende Leerweg (de BBL) en studenten die een hbo-opleiding volgen in de techniek (inclusief agro), bestaande uit een combinatie van leren en werken.

Tip:
Ook voor werknemers aan wie de meeste maatschappelijke behoefte bestaat, zoals studenten, onderzoekers, ontwerpers en promovendi in bepaalde vakgebieden, kunt u subsidie krijgen.

Voor bepaalde doelgroepen, zoals deelnemers aan een mbo BOL-opleiding of leerlingen die een
leer-werktraject volgen in het vmbo, komt u niet meer in aanmerking voor subsidie.

Voorwaarden
De exacte voorwaarden van de subsidieregeling moeten nog verder worden uitgewerkt. Wel is duidelijk dat u als werkgever alleen voor subsidie in aanmerking komt als de deelnemer of student een volledig onderwijsprogramma volgt voor een erkend kwalificerend diploma. Verder moet u er rekening mee houden dat er geen overgangsregeling komt.

Terug naar boven | Terug naar Nieuws

4.  Voorkom hogere eigen bijdrage AWBZ en WMO

Vanaf 1 januari 2013 is de eigen bijdrage AWBZ en WMO voor mensen met vermogen verhoogd. Vanaf die datum telt 12% van uw vermogen mee voor de vaststelling van uw eigen bijdrage. Gelukkig zijn er mogelijkheden om een hoge eigen bijdrage te voorkomen. Zorg echter wel dat u zich tijdig voorbereidt! De eigen bijdrage wordt namelijk berekend over uw inkomen en vermogen van twee jaar eerder.

AWBZ en WMO
U kunt niet alleen te maken krijgen met een eigen bijdrage AWBZ bij opname in een AWBZ-instelling, maar ook bij verpleegkundige zorg en/of hulp bij het wassen en aankleden thuis. Krijgt u hulp bij het huishouden thuis, dan valt dit onder de WMO. Bij opname in een AWBZ-instelling geldt tijdens de eerste zes maanden de lage eigen bijdrage. Daarna geldt meestal de hoge eigen bijdrage.

Let op!
De lage eigen bijdrage bedraagt in 2013 12,5% van uw bijdrage-inkomen (maximaal € 797,80 per maand). De hoge eigen bijdrage bedraagt 8,5% van uw bijdrage-inkomen (maximaal € 2.189,20 per maand). Bij hulp thuis geldt er een maximale periodebijdrage per vier weken, welke afhankelijk is van uw bijdrage-inkomen.

Vermogensbijtelling
De eigen bijdrage wordt onder meer berekend aan de hand van uw verzamelinkomen. Dit betekent dat uw inkomen uit box 1, 2 en 3 meetelt voor uw eigen bijdrage.

Naast 4% van uw vermogen dat al in het verzamelinkomen zit, wordt vanaf 1 januari 2013 echter ook nog 8% van uw vermogen bij uw bijdrage-inkomen opgeteld.

Twee jaar terug
Voor de bepaling van uw eigen bijdrage wordt uitgegaan van het verzamelinkomen van twee jaar eerder. Dit betekent dat voor uw eigen bijdrage in 2013 uw verzamelinkomen 2011 van belang is. Dit verzamelinkomen wordt vervolgens verhoogd met 8% van uw vermogen in box 3 per 1 januari 2011.

Peiljaarwijziging
Wanneer deze terugwerkende kracht nadelig voor u is, kunt u onder voorwaarden vragen om een peiljaarwijziging. De eigen bijdrage wordt dan berekend aan de hand van uw inkomen gedurende het lopende jaar en uw vermogen per 1 januari van dat jaar. Informeer bij uw adviseur naar de voorwaarden voor een peiljaarwijziging.

Tip:
Het verzoek om peiljaarwijziging moet uiterlijk gedaan worden binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar!

Verlaging bijdrage-inkomen
Er zijn diverse mogelijkheden om uw vermogen en daarmee uw bijdrage-inkomen te verlagen. Denk daarbij aan schenking, aflossing van een overbedelingsschuld of het onderbrengen van vermogen in een BV. Uw adviseur kan u hierover meer vertellen.

Let op!
Verlaging van uw vermogen in 2013 heeft pas effect op uw vermogen per 1 januari 2014. Het effect voor uw eigen bijdrage treedt daarom in principe pas in werking vanaf 2016. Een peiljaarwijziging kan deze inwerkingtreding mogelijk vervroegen naar 2014.

Terug naar boven | Terug naar Nieuws

TIPS

1.  Betaal een stakingslijfrente nog vóór 1 juli
Staakt u (een deel van) uw onderneming, dan kunt u binnen de wettelijke maxima de stakingswinst geheel of gedeeltelijk onbelast omzetten in een lijfrente (stakingslijfrente). Bent u in 2012 gestopt met uw onderneming en wilt u gebruikmaken van de extra lijfrentepremieaftrek bij staking, zorg er dan voor dat u de premie vóór 1 juli 2013 heeft betaald. U kunt de premie dan in aftrek brengen in uw aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012. Normaal gesproken is de premie voor een lijfrente alleen aftrekbaar als deze ook in het jaar zelf betaald is. Voor een stakingslijfrente heeft u dus maximaal zes maanden langer de tijd. Hetzelfde geldt voor het geheel of gedeeltelijk omzetten van een in de onderneming opgebouwde oudedagsreserve in een lijfrente. Ook dan geldt dat de premie voor de lijfrente aftrekbaar is als deze vóór 1 juli in het daaropvolgende jaar betaald is.

2.  Soepele overgangstermijn voor de kapitaalverzekering eigen woning
Vanaf dit jaar gelden er geen fiscale faciliteiten meer voor een nieuwe kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een spaarrekening eigen woning (SEW) of een beleggingsrecht eigen woning (BEW). Vanaf het begin af aan vallen deze onder het vermogen in box 3 en gelden er geen vrijstellingen meer. Onder voorwaarden is het mogelijk om bij het aangaan, verhogen of verlengen van een KEW, SEW of BEW toch nog gebruik te maken van de oude fiscale faciliteiten. De eis dat dan vóór 1 april 2013 een onherroepelijke overeenkomst moet zijn aangegaan, is wat versoepeld. Ook als u vóór die datum een verzoek heeft ingediend bij uw verzekeraar, financiële instelling of uw tussenpersoon voor het aangaan, verhogen of verlengen van een KEW (SEW of BEW) kunt u nog gebruikmaken van de gunstige fiscale vrijstellingen in box 1. U moet er dan wel voor zorgen dat een en ander uiterlijk op 31 december 2013 ook daadwerkelijk tot stand is gekomen.

3.  Periodieke schenking aan ANBI of vereniging makkelijker
Vanaf 1 januari 2014 is de periodieke gift aan een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) of een vereniging met minimaal 25 leden ook fiscaal aftrekbaar als deze gift wordt vastgelegd in een schen-kingsovereenkomst tussen de gevende en de ontvangende partij. De eis dat dit moet worden vastge-legd in een notariële akte komt dan te vervallen. Wel blijft gelden dat een periodieke gift alleen aftrek-baar is als deze een looptijd heeft van minimaal vijf jaar (of eindigt bij eerder overlijden). De Belasting-dienst zal binnen enkele maanden een model-schenkingsovereenkomst ter beschikking stellen via een download op de website.

4.  Ondernemingsverlies? Vraag een voorlopige verliesverrekening aan
Heeft uw bv in 2011 een winst behaald, maar het jaar 2012 afgesloten met een verlies, dan kunt u na het indienen van de aangifte over 2012 de inspecteur verzoeken om een voorlopige verliesverrekening. De Belastingdienst zal dan alvast 80% van het vermoedelijke verlies verrekenen met de winst van het jaar 2011. Op die manier kunt u sneller beschikken over een deel van het door u terug te verwachten belastinggeld. De voorlopige verliesverrekening wordt naderhand verrekend met de definitieve verliesverrekening of met de aanslag over het jaar 2012. 

5.  Wettelijk minimumloon ook voor opdrachtnemers
Opdrachtnemers die werken op basis van een overeenkomst van opdracht hebben in de toekomst recht op het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag. Door betaling van het wettelijk minimumloon aan deze groep moet misbruik van opdrachtnemers worden voorkomen. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hiervoor inmiddels een nieuw wetsvoorstel ingediend.

De minister wil met deze maatregel de positie verbeteren van werknemers zonder vast contract. Nu is het wettelijk minimumloon alleen van toepassing op de opdrachtovereenkomst als het werk door een en dezelfde persoon wordt verricht, er maximaal sprake is van twee opdrachtgevers en de duur van de opdracht minimaal drie maanden is. Deze criteria zijn in de praktijk makkelijk te omzeilen, waardoor de opdrachtgever vaak toch geen wettelijk minimumloon hoeft te betalen. Als de Wet wordt aange-past, dan is dat straks niet meer mogelijk. Overigens zal het wettelijk minimumloon niet van toepas-sing zijn op de zelfstandige zonder personeel (zzp’er). De zzp’er wordt op de arbeidsmarkt namelijk gezien als een ondernemer die hierdoor zelf invloed kan uitoefenen op de hoogte van zijn tarieven.

6.  Gratis hulp bij berekening Ziektewetuitkering
Werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor de Ziektewet, kunnen tussen 1 juni 2013 en 1 september 2013 kosteloos het dagloon voor de Ziektewetuitkering aan een werknemer laten berekenen door het UWV. Deze werkgevers krijgen zo meer tijd om zich voor te bereiden op de nieuwe berekeningswijze van WW- en ZW-uitkeringen die is ingegaan op 1 juni 2013. Het berekenen is alleen gratis als het gaat om daglonen die volgens de nieuwe regels berekend moeten worden. Anders zijn er wel kosten aan verbonden.

De nieuwe berekeningswijze is een gevolg van het gewijzigde 'Dagloonbesluit werknemersverzeke-ringen'. Dit besluit bevat nadere regels voor de vaststelling van het dagloon voor uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen, zoals de Ziektewet (ZW) en de Werkloosheidswet (WW).

Terug naar boven | Terug naar Nieuws


Nieuwsbrieven | Tips & Adviezen

Nieuwsbrieven van uw SRA - Kantoor

Archief

Krijg het laatste nieuws direct in uw inbox!

Disclaimer

Hoewel bij het samenstellen van de inhoud van deze site de uiterste zorg is nagestreefd, wordt iedere aansprakelijkheid uitgesloten voor onjuistheden, onvolledigheden en eventuele gevolgen van het handelen op grond van informatie die op of via deze site (links) beschikbaar is.

Although at composing the contents of this site the extreme care has been pursued, every liability is excluded for inadequacies, incompletions and possible impact of acting on the basis of information which is on or by means of this site (links) available.

Terug naar boven